Ga naar inhoud

Evaluatie Lijn

Evaluatie Lijn stelt je in staat om verkeersdata te evalueren op lijnobjecten (routes). De evaluatie vergelijkt doorstroming tussen een analyseperiode en een referentieperiode of streefwaarde en berekent KPI scores op basis van de geconfigureerde methode.

De pagina bestaat uit:

  1. Configuratiepaneel: Selecteer perioden, tijdvensters weergave modus (trajectsnelheid / reistijd)
  2. Kaart of KPI tabel: Toont lijnobjecten en KPI scores per tijdvenster
  3. Grafieken: Doorstromingsanalyses en vergelijkingen
  4. Project/Sjablooninfo: Onderaan de pagina staat het geselecteerde project, sjabloon en de KPI methode.

De KPI methode wordt gekozen bij het configureren van het evaluatiesjabloon. De evaluatie voor Lijnobjecten ondersteunt twee KPI methoden. Bij beide methodes wordt het dagpatroon (het gemiddelde van de dagen) van de anlyseperiode vergeleken met een streefwaarde. De methodes verschillen in hoe de streefwaarde om mee te vergelijken bepaald wordt. Vervolgens wordt, in de basis, bij beide methodes berekend hoeveel tijdintervallen van de analyseperiode onder/boven de streefwaarde vallen t.o.v. het totaal aantal tijdintervallen. Dat resulteert in een percentage wat de KPI score bepaalt.

Hieronder staat een kort overzicht van hoe de methode verschillen. Daaronder staat de exacte KPI rekenmethode beschreven.

Bij deze methode wordt een vaste trajectsnelheid (km/u) opgegeven als streefwaarde:

  • Gemeten reistijden worden omgerekend naar trajectsnelheden
  • Vergeleken met de geconfigureerde streefwaarde onafhankelijk van een referentieperiode
  • Streefwaarden kunnen per lijnobject worden ingesteld
  • Geen onderscheid naar tijdvensters
  • KPI grenswaarden zijn vooraf vastgesteld (hard-coded) voor 6 KPI scores en niet door de projecteigenaar te configureren

Streefwaarde t.o.v. referentieperiode (Relatief)

Section titled “Streefwaarde t.o.v. referentieperiode (Relatief)”

Bij deze methode wordt de streefwaarde bepaald ten opzichte van waarden van de referentieperiode per tijdsvenster:

  • Twee rekenmethoden beschikbaar om streefwaarden te bepalen:
    • Extra reistijd: Referentiereistijd ± aantal minuten (bijv. +5 of -5 minuten)
    • Factor (percentage): Referentiereistijd × factor (bijv. 1.05 = +5%, 0.95 = -5%)
  • Streefwaarden worden per geconfigureerd tijdvenster ingesteld
  • Streefwaarden kunnen per lijnobject worden ingesteld
  • Aanvullend kunnen (globale) streefwaardensets door de projecteigenaar geconfigureerd worden (1 waarde per tijdvenster voor alle objecten)
  • KPI grenswaarden kunnen door de projecteigenaar geconfigureerd worden voor 4 KPI scores

De KPI berekening verschilt per methode:

Bij deze methode is er één vaste streefwaarde per object die voor de hele dag (onafhankelijk van tijdvenster en referentiewaarde) geldt. Er is wel een referentieperiode naar keuze getoond, maar deze is puur om mee te kunnen vergelijken.

Stap-voor-stap berekeningsproces:

  1. Dagpatroon berekening:

    • Voor de analyseperiode wordt per object een dagpatroon berekend
    • Het dagpatroon bevat voor elk tijdinterval de mediaan van de reistijden over alle dagen
  2. Trajectsnelheid berekening per interval:

    • De gemeten reistijd wordt per tijdinterval omgerekend naar trajectsnelheid
    • Formule: Trajectsnelheid (km/u) = Lengte lijnobject (m) / Reistijd (s) × 3.6
    • Voorbeeld: Lijnobject van 5000m met gemeten reistijd van 360 seconden (6 minuten)
      • Trajectsnelheid = 5000 / 360 × 3.6 = 13.89 × 3.6 = 50 km/u
  3. Vergelijking per interval:

    • Voor elk tijdinterval binnen het geselecteerde tijdvenster wordt de berekende trajectsnelheid vergeleken met de geconfigureerde streefsnelheid
    • Alleen metingen binnen het tijdvenster worden meegenomen
  4. KPI percentage berekening:

    • Het KPI percentage is het percentage van de metingen waarbij de berekende trajectsnelheid lager is dan de streefsnelheid
    • Formule: KPI = (Aantal metingen met trajectsnelheid < streefsnelheid / Totaal aantal metingen) × 100
  5. Optionele weging naar grootste afwijking (standaard ingeschakeld):

    • Als de weging is ingeschakeld, wordt het KPI percentage aangepast op basis van de grootste afwijking binnen het tijdvenster
    • Van alle metingen waarbij de trajectsnelheid lager is dan de streefsnelheid, wordt de laagste trajectsnelheid (grootste afwijking) bepaald
    • De relatieve afwijking wordt berekend: Relatieve afwijking = (Streefsnelheid - Laagste trajectsnelheid) / Streefsnelheid
    • Het aangepaste KPI percentage wordt berekend: KPI = KPI × Relatieve afwijking
    • Dit balanceert de KPI score wanneer er veel metingen lager dan de streefsnelheid zijn, maar slechts een klein beetje lager. Twee tijdvensters waarbij het aantal onderschreidingen gelijk zijn, verschillen dan toch waarbij het tijdvenster met een beperkte afwijking beter scoort dan het tijdvenster waarbij de afwijking groter is.

Voorbeeld (zonder weging):

  • Lijnobject lengte: 5000 meter
  • Streefsnelheid: 50 km/u
  • Tijdvenster: 07:00 - 09:00
  • Totaal aantal metingen binnen tijdvenster: 24
  • Aantal metingen met trajectsnelheid < 50 km/u: 6
  • KPI = (6 / 24) × 100 = 25%

Voorbeeld (met weging):

  • Zelfde gegevens als bovenstaand voorbeeld
  • Van de 6 metingen onder de streefsnelheid is de laagste trajectsnelheid: 40 km/u
  • Relatieve afwijking = (50 - 40) / 50 = 0.20 (20%)
  • Aangepast KPI = 25% × 0.20 = 5%

Interpretatie:

  • Lage KPI (0-10%): De trajectsnelheid ligt meestal boven de streefsnelheid (goed, groen)
  • Hoge KPI (> 50%): De trajectsnelheid ligt vaak onder de streefsnelheid (slecht, rood)
  • Met weging wordt de KPI afgezwakt wanneer de onderschrijding beperkt is

Streefwaarde t.o.v. referentieperiode methode

Section titled “Streefwaarde t.o.v. referentieperiode methode”

Bij deze methode wordt de streefwaarde afgeleid van de referentieperiode. De streefwaarde ‘beweegt’ daardoor mee met het patroon van de referentieperiode.

Stap-voor-stap berekeningsproces:

  1. Referentie dagpatroon berekening:

    • Voor de referentieperiode wordt per object een dagpatroon berekend
    • Het dagpatroon bevat voor elk tijdinterval de mediaan van de reistijden over alle dagen in de referentieperiode
  2. Streefwaarde berekening per interval:

    • Voor elk tijdinterval binnen het geselecteerde tijdvenster wordt een streefreistijd berekend op basis van de referentiereistijd van dat specifieke tijdinterval
    • Binnen het tijdvenster is er dus niet één vaste streefwaarde, maar hangt de streefwaarde af van de referentiereistijd van ieder tijdinterval
    • De rekenmethode bepaalt hoe de streefwaarde per tijdinterval wordt berekend:

    Extra reistijd rekenmethode (optellen):

    • Formule per tijdinterval: Streefreistijd = Referentiereistijd (van dit tijdinterval) + (Geconfigureerde offset in minuten × 60)
    • Voorbeeld: Referentiereistijd van tijdinterval = 300 seconden, Offset = +5 minuten
      • Streefreistijd voor dit tijdinterval = 300 + (5 × 60) = 600 seconden
    • Elk tijdinterval heeft zijn eigen referentiereistijd, dus elk tijdinterval krijgt zijn eigen streefreistijd

    Factor rekenmethode (vermenigvuldigen):

    • Formule per tijdinterval: Streefreistijd = Referentiereistijd (van dit tijdinterval) × Geconfigureerde factor
    • Voorbeeld: Referentiereistijd van tijdinterval = 300 seconden, Factor = 1.10
      • Streefreistijd voor dit tijdinterval = 300 × 1.10 = 330 seconden
    • Elk tijdinterval heeft zijn eigen referentiereistijd, dus elk tijdinterval krijgt zijn eigen streefreistijd
  3. Analyse dagpatroon berekening:

    • Voor de analyseperiode wordt op dezelfde manier een dagpatroon berekend met gemiddelde reistijden per tijdinterval
  4. Vergelijking per interval:

    • Voor elk tijdinterval binnen het geselecteerde tijdvenster wordt de gemeten reistijd uit de analyseperiode vergeleken met de berekende streefreistijd
    • Alleen metingen binnen het tijdvenster worden meegenomen
  5. KPI percentage berekening:

    • Het KPI percentage is het percentage van de metingen waarbij de gemeten reistijd hoger is dan de streefreistijd. Of, andersom, waarbij de gemeten trajectsnelheid lager is dan de streefsnelheid.
    • Formule: KPI = (Aantal metingen met reistijd > streefreistijd / Totaal aantal metingen binnen tijdvenster) × 100

Voorbeeld (Extra reistijd rekenmethode):

  • Referentieperiode: 1-7 januari 2023
  • Analyseperiode: 1-7 januari 2024
  • Tijdvenster: 07:00 - 09:00
  • Geconfigureerde offset: +5 minuten (+300 seconden)
  • Tijdinterval 07:00-07:05: Referentiereistijd = 280 seconden → Streefreistijd = 280 + 300 = 580 seconden
  • Tijdinterval 07:05-07:10: Referentiereistijd = 290 seconden → Streefreistijd = 290 + 300 = 590 seconden
  • Tijdinterval 07:10-07:15: Referentiereistijd = 300 seconden → Streefreistijd = 300 + 300 = 600 seconden
  • (enzovoort voor alle tijdintervallen binnen het tijdvenster)
  • Totaal aantal tijdintervallen binnen tijdvenster: 24 (2 uur × 12 intervallen van 5 minuten per uur)
  • Aantal tijdintervallen waarbij gemeten reistijd > streefreistijd: 9
  • KPI = (9 / 24) × 100 = 37.5%

Voorbeeld (Factor rekenmethode):

  • Tijdvenster: 07:00 - 09:00
  • Geconfigureerde factor: 1.10 (10% langzamer toegestaan)
  • Tijdinterval 07:00-07:05: Referentiereistijd = 280 seconden → Streefreistijd = 280 × 1.10 = 308 seconden
  • Tijdinterval 07:05-07:10: Referentiereistijd = 290 seconden → Streefreistijd = 290 × 1.10 = 319 seconden
  • Tijdinterval 07:10-07:15: Referentiereistijd = 300 seconden → Streefreistijd = 300 × 1.10 = 330 seconden
  • (enzovoort voor alle tijdintervallen binnen het tijdvenster)
  • Totaal aantal tijdintervallen binnen tijdvenster: 24 (2 uur × 12 intervallen van 5 minuten per uur)
  • Aantal tijdintervallen waarbij gemeten reistijd > streefreistijd: 6
  • KPI = (6 / 24) × 100 = 25%

Interpretatie:

  • Lage KPI (0-25%): De reistijd is meestal korter dan de streefwaarde afgeleid van de referentie (goed)
  • Hoge KPI (75-100%): De reistijd is meestal langer dan de streefwaarde afgeleid van de referentie (slecht)

Invloed van tijdvensters:

  • Bij de relatieve methode worden streefwaarden per tijdvenster berekend
  • Dit betekent dat verschillende tijdvensters verschillende streefwaarden kunnen hebben
  • De KPI wordt altijd berekend voor het geselecteerde tijdvenster

Kleurcodering: De kleurcodering wordt bepaald door de geconfigureerde KPI grenswaarden:

  • Groen: KPI ≤ 10% - Doorstroming is goed (lage KPI betekent goede doorstroming)
  • Geel: 10% < KPI ≤ 50% - Doorstroming is matig
  • Oranje: 50% < KPI ≤ 75% - Doorstroming is slecht
  • Rood: KPI > 75% - Doorstroming is zeer slecht (hoge KPI betekent slechte doorstroming)
  • De grenswaarden zijn door de projecteigenaar te configureren. Er kan meer dan één grenswaardenset geconfigureerd worden. Via het configuratiepaneel kan onder Streefwaarde Set gewisseld worden.

Een analyse- en referentieperiode zijn door de projecteigenaar al voorgeconfigureerd. Indien er meer perioden zijn geconfigureerd, kan hiertussen gewisseld worden via het linker configuratiepaneel. Op die manier kunnen andere perioden met elkaar vergeleken worden voor meer inzicht.

Selecteer de periode die je wilt analyseren:

  • Kies uit geconfigureerde projectperioden
  • Of gebruik de knop om een aangepaste periode te configureren (zie onder)
  • De analyseperiode wordt gebruikt als te toetsen periode voor de evaluatie

Selecteer de referentieperiode voor vergelijking:

  • Vereist wanneer KPI methode “Relatief” is geselecteerd
  • Kies uit geconfigureerde projectperioden
  • Of gebruik de knop om een aangepaste periode te configureren (zie onder)
  • De referentieperiode dient als de referentie voor de KPI berekening
  1. Klik op de kalenderknop naast de periode selectie
  2. Kies uit een statische of dynamische periode
  3. Kies welke dagen binnen deze periode worden meegenomen (specifieke weekdagen of dezelfde weekdag als de geselecteerde datum)
  4. Sla de aangepaste periode op

De aangepaste periode staat nu als Aangepast in het dorpdown menu. Het is mogelijk te wisselen tussen de voorgeconfigureerde perioden en deze aangepaste periode.

Zie periode type voor meer informatie over het instellen van perioden.

Selecteer het tijdvenster dat je wilt evalueren:

  • Kies uit één van de geconfigureerde tijdvensters
  • Objecten op de kaart krijgen de kleur van de KPI score voor dit tijdvenster
  • Grafieken die gegevens per tijdvenster tonen, gebruiken dit tijdvenster
  • Het tijdvenster bepaalt de sortering van de KPI tabel (van hoog naar laag)

Deze optie is alleen beschikbaar bij de streefwaarde t.o.v. referentie (Relatieve) methode. Selecteer de KPI set die je wilt gebruiken voor de evaluatie:

  • Kies uit één van de geconfigureerde KPI sets
  • De KPI set bepaalt de grenzen (ondergrens en bovengrens) voor de KPI kleurscore
  • Elke KPI set heeft eigen grenswaarden die bepalen wanneer een KPI score groen, geel, oranje of rood wordt weergegeven
  • Je kunt tussen verschillende KPI sets wisselen om de evaluatie met verschillende grenswaarden te bekijken

Deze optie is alleen beschikbaar bij de streefwaarde t.o.v. referentie (Relatieve) methode. Selecteer welke streefwaarden gebruikt moeten worden voor de evaluatie:

  • Object specifiek: Gebruikt de streefwaarden die per lijnobject zijn geconfigureerd. Elk lijnobject kan zijn eigen streefwaarden per tijdvenster hebben.
  • Globale streefwaarde sets: Kies uit één van de geconfigureerde globale streefwaarde sets. Deze sets bevatten streefwaarden per tijdvenster die voor alle lijnobjecten gelden.
  • Globale streefwaarde sets worden door de projecteigenaar geconfigureerd en bevatten één streefwaarde per tijdvenster die voor alle objecten wordt toegepast.
  • Je kunt tussen verschillende streefwaarde sets wisselen om de evaluatie met verschillende streefwaarden te bekijken.

Selecteer een specifieke dag voor aanvullende functionaliteit:

  • Dynamische perioden: Bij het gebruik van een dynamische periode bepaalt de geselecteerde dag het referentiepunt voor de periodeberekening

  • Grafieken vergelijking: De geselecteerde dag wordt (optioneel) aanvullend weergegeven in de volgende grafieken:

    • Doorstroming (24 uur): De geselecteerde dag wordt als extra lijn weergegeven, zodat je een specifieke dag kunt vergelijken met de gemiddelden van de analyse- en referentieperiode.
    • Doorstroming per tijdvenster: De geselecteerde dag wordt als extra datapunt weergegeven naast de gemiddelden van de analyse- en referentieperiode.
    • Zelfde weekdag: De 6 weekdagen in deze grafiek worden bepaald door de 5 zelfde weekdagen voorafgaand aan de geselecteerde dag (bijv. als je maandag selecteert, worden alle maandagen vergeleken).
    • Laatste 4 weken: De dagen in deze grafiek worden bepaald door de 4 weken voorafgaand aan de geselecteerde dag.

Deze optie is alleen beschikbaar bij de vaste streefwaarde (Absoluut) methode. Schakel de gewogen KPI score in of uit:

  • Gewogen KPI score ingeschakeld (standaard): Het KPI percentage wordt aangepast op basis van de grootste afwijking binnen het tijdvenster. Dit balanceert de KPI score wanneer er veel metingen lager dan de streefsnelheid zijn, maar slechts een klein beetje lager. Twee tijdvensters waarbij het aantal onderschreidingen gelijk zijn, verschillen dan toch waarbij het tijdvenster met een beperkte afwijking beter scoort dan het tijdvenster waarbij de afwijking groter is.
  • Gewogen KPI score uitgeschakeld: Het KPI percentage wordt alleen gebaseerd op het aantal metingen dat onder de streefsnelheid ligt, zonder rekening te houden met de grootte van de afwijking.

Zie de sectie KPI berekening - Vaste streefwaarde methode voor meer details over hoe de weging wordt berekend.

De evaluatie resultaten op basis van de instellingen worden inzichtelijk gemaakt via de kaart, de KPI Tabel en diverse grafieken. Deze worden hieronder toegelicht.

De kaart toont:

  • Lijnobjecten: Routes die worden geëvalueerd
  • Kleurcodering: KPI scores visueel weergegeven voor het geselecteerde tijdvenster
  • Selectie: Klik op een object om de grafieken voor dit object te bekijken

De KPI tabel toont voor elk lijnobject:

  • Objectnaam: Naam van het lijnobject
  • Vergelijkingsselectie: Checkbox om het object toe te voegen aan de vergelijkingsgrafiek. Wanneer aangevinkt, kun je kiezen welke periode wordt getoond:
    • Analyse: Toont de analyseperiode data voor dit object
    • Referentie: Toont de referentieperiode data voor dit object
    • Dag: Toont de geselecteerde dag data voor dit object
  • KPI score: Berekende score (kleur en percentage) per tijdvenster op basis van de geselecteerde methode
  • Tooltip: Een tooltip wanneer de muis hovert op de kleurscore met daarin de relevante informatie voor het betreffende tijdvenster

De tabel is van hoog naar laag gesorteerd op basis van de KPI Score voor het geselecteerde tijdvenster. Door een ander tijdvenster te selecteren kan de sortering aangepast worden.

Deze grafiek toont de doorstroming voor het geselecteerde object:

  • Analyseperiode: Gemiddelde doorstroming per tijdinterval over alle dagen in de analyseperiode
  • Referentieperiode: Gemiddelde doorstroming per tijdinterval over alle dagen in de referentieperiode (bij relatieve methode)
  • (optioneel) Dag (datum): De gegevens van de in het configuratiepaneel geselecteerde dag. Hiermee kan een specifieke dag vergeleken worden met de andere perioden. Deze lijn is aan/uit te zetten door te klikken op de dag in de legenda.
  • Tijdvenster: Een gearceerd deel in de grafiek welke het tijdvenster aangeeft

Gebruik deze grafiek om patronen te identificeren en verschillen tussen perioden te zien.

Tabblad dat alle geselecteerde lijnobjecten vergelijkt:

  • Toont doorstroming voor alle in de KPI Tabel geselecteerde objecten in één grafiek
  • Objecten worden toegevoegd via de checkbox in de KPI tabel
  • Per object kun je kiezen welke periode wordt getoond (Analyse, Referentie of Dag)
  • Handig voor het identificeren van problematische routes en het vergelijken van verschillende objecten
  • Je kunt meerdere objecten selecteren om ze naast elkaar te vergelijken

Toont de doorstroming voor het geselecteerde object voor ieder tijdvenster:

  • Gemiddelde doorstroming per tijdvenster voor de analyseperiode
  • Hetzelfde voor de referentieperiode (bij relatieve methode)
  • (optioneel) Dag (datum): De gegevens van de in het configuratiepaneel geselecteerde dag. Hiermee kan een specifieke dag vergeleken worden met de andere perioden. Deze is aan/uit te zetten door te klikken op de dag in de legenda.

Twee tabbladen met totalen per tijdvenster:

  1. Zelfde weekdag: Vergelijkt het geselecteerde tijdvenster voor dezelfde weekdag (bijv. alle maandagen) op basis van en eindigend op de geselecteerde dag in het configuratiepaneel.
  2. Laatste 4 weken: Toont de laatste 4 weken van data voor het geselecteerde tijdvenster eindigend op de geselecteerde dag in het configuratiepaneel.
  1. De KPI methode is vooraf ingesteld in het evaluatiesjabloon (weergegeven onderaan het scherm)
  2. Selecteer de analyseperiode
  3. Selecteer de referentieperiode (bij relatieve methode)
  4. Kies het gewenste tijdvenster
  5. De evaluatie wordt automatisch uitgevoerd
  6. Bekijk de resultaten op de kaart, in de KPI Tabel en in de grafieken
  7. Kies objecten via de kaart of tabel om gedetailleerde resultaten te bekijken
  8. Vergelijk eventueel de gedetailleerde gegevens tussen objecten via de objecten vergelijken functie (zie Vergelijken lijnobjecten)