Ga naar inhoud

Monitor Configuratie

Configureer monitor sjablonen voor een project in de Monitor sectie van Projectconfiguratie. Monitor sjablonen definiëren welke grafieken worden getoond in de Monitor view.

Een monitor sjabloon bestaat uit:

  • Basisinstellingen: Naam, periode, aggregatie en grid layout
  • Grafiek tegels: Configureerbare grafieken voor specifieke objecten met signaal- en streefwaarden
  • Kaartconfiguratie: Data lagen, prefixes en kaartweergave instellingen
  1. Navigeer naar Projectconfiguratie > Monitor
  2. Klik op de knop “Sjabloon toevoegen” (rechtsboven)
  3. Vul de basisinstellingen in:
    • Sjabloon naam: Geef het sjabloon een duidelijke naam
    • Standaard referentieperiode: Selecteer een standaard periode die wordt gebruikt wanneer het sjabloon wordt geopend
    • Aggregatieperiode: Kies hoe data wordt geaggregeerd (1 min, 5 min, 15 min, 1 uur)
    • Grid indeling: Selecteer 3x3, 3x4, of 4x4
  4. Configureer grafiek tegels (zie Grafiek tegels configureren):
    • Selecteer een tegel in het grid
    • Klik op een object op de kaart (rechts)
    • Stel signaal- en streefwaarden in (indien gewenst)
    • Klik op opslaan voor de betreffende tegel (floppy rechtsboven)
    • Herhaal voor alle gewenste tegels
  5. Configureer kaartinstellingen (zie Kaartconfiguratie uitgelegd):
    • Selecteer data lagen die getoond moeten worden
    • Selecteer reistijd prefixes (indien van toepassing)
    • Selecteer Waze melding types (indien van toepassing)
    • Klik op “Kaart instellen” om de kaartweergave te configureren
  6. Klik op “Opslaan” om het sjabloon op te slaan

Let op: Je hoeft niet alle tegels te configureren. Lege tegels worden gebruikt om de kaart weer te geven. De kaart neemt automatisch de ruimte in van alle lege tegels in het grid.

Kies de grid layout voor je monitor sjabloon:

  • 3x3: 9 grafiekposities (3 kolommen × 3 rijen)
  • 3x4: 12 grafiekposities (3 kolommen × 4 rijen)
  • 4x4: 16 grafiekposities (4 kolommen × 4 rijen)

Kaartweergave: Lege tegels (tegels zonder geconfigureerde grafiek) worden automatisch gebruikt om de kaart weer te geven. De kaart neemt de ruimte in van alle aaneengesloten lege tegels. Dit betekent dat je strategisch kunt bepalen waar de kaart wordt getoond door bepaalde tegels leeg te laten.

Voor elke positie in het grid kun je een grafiek configureren. Je kunt dit op twee manieren doen:

Methode 1: Eerst tegel, dan object

  1. Selecteer een tegel: Klik op een lege tegel in het grid om deze te selecteren
  2. Selecteer een locatie op de kaart: Klik op een punt- of lijnobject in de rechter kaart
    • Geselecteerde objecten worden gemarkeerd met een oranje kleur
    • Objecten die al gebruikt worden in andere tegels worden ook gemarkeerd
    • Bij overlappende lijnobjecten verschijnt er een venster om het juiste object te kiezen

Methode 2: Eerst object, dan tegel

  1. Selecteer een locatie op de kaart: Klik op een punt- of lijnobject in de rechter kaart
  2. Selecteer een tegel: Klik op een lege tegel in het grid om het object aan deze tegel toe te wijzen

Vervolgstappen (beide methoden)

  1. Configureer signaalwaarde: Stel de signaalwaarde in als gewenst (zie hieronder)
  2. Configureer streefwaarde: Stel de streefwaarde in als gewenst (zie hieronder)
  3. Sla de tegel op: Gebruik de floppy rechtsboven in de tegel om de tegel te bewaren
  4. Herhaal voor andere tegels: Configureer zoveel tegels als nodig
  5. Verplaats tegels: Je kunt tegels verplaatsen door ze te slepen met de kruispijl-knop rechtsonder in de tegel

Signaalwaarden worden gebruikt als referentielijnen in de grafieken om de actuele metingen te vergelijken met een verwachte of gewenste waarde.

Signaalwaarde types:

  • Vaste waarde: Een absolute waarde die altijd wordt getoond als referentielijn
    • Voorbeeld: Bij intensiteit objecten kun je een vaste waarde van 1000 voertuigen per uur instellen
    • De eenheid wordt automatisch bepaald op basis van het object type (vtg/u voor intensiteit, km/u voor snelheid, min voor reistijd)
  • Offset t.o.v. dagpatroon: Een absolute waarde die wordt opgeteld bij het historische dagpatroon
    • De waarde wordt opgeteld bij het gemiddelde dagpatroon van de referentieperiode
    • Voorbeeld: Bij intensiteit objecten met een gemiddeld dagpatroon van 1000 vtg/u en een offset van +200 wordt de referentielijn getoond op 1200 vtg/u
    • De eenheid is hetzelfde als het object type (vtg/u voor intensiteit, km/u voor snelheid, min voor reistijd)
    • Handig om te monitoren of de actuele waarde afwijkt van het verwachte patroon

Gebruik: Signaalwaarden helpen bij het snel identificeren van afwijkingen in de verkeerssituatie. Wanneer de actuele meting boven of onder de signaalwaarde komt, is dit direct zichtbaar in de grafiek. Deze kleurt dan rood. Dit werkt alleen bij live weergave op de huidige dag.

Streefwaarden worden gebruikt om te bepalen of de actuele metingen binnen acceptabele grenzen vallen. Ze worden gebruikt als hulplijn in de grafieken, maar hebben verder geen functie.

Streefwaarde types:

  • Vaste waarde: Een absolute waarde die als doel wordt gebruikt
    • Voorbeeld: Bij snelheid objecten kun je een streefwaarde van 80 km/u instellen
    • De eenheid wordt automatisch bepaald op basis van het object type
  • Offset t.o.v. dagpatroon: Een absolute waarde die wordt opgeteld bij het historische dagpatroon
    • De waarde wordt opgeteld bij het gemiddelde dagpatroon van de referentieperiode
    • Voorbeeld: Bij snelheid objecten met een gemiddeld dagpatroon van 80 km/u en een offset van -10 wordt de streefwaarde getoond op 70 km/u
    • De eenheid is hetzelfde als het object type (vtg/u voor intensiteit, km/u voor snelheid, min voor reistijd)
    • Handig om te monitoren of de actuele waarde binnen acceptabele marges blijft ten opzichte van het verwachte patroon

Gebruik: Streefwaarden helpen bij het bepalen of de verkeerssituatie binnen acceptabele grenzen valt.

  1. Vind het sjabloon in de tabel
  2. Klik op de bewerkknop
  3. Wijzig de gewenste instellingen (zie Monitor sjabloon aanmaken voor details)
  4. Configureer grafiek tegels indien nodig
  5. Klik op “Opslaan”
  1. Vind het sjabloon in de tabel
  2. Klik op de verwijderknop
  3. Bevestig de verwijdering

De tabel toont alle sjablonen met:

  • Sjabloon naam
  • Grid layout
  • Aantal geconfigureerde tegels
  • Bijgewerkt/Aangemaakt datum
  • Acties (bewerken/verwijderen)
  • Default referentieperiode: De standaard periode die wordt gebruikt wanneer het sjabloon wordt geopend
  • Deze kan worden gewijzigd in de Monitor view

Kies hoe de data wordt geaggregeerd:

  • 1 minuut: Fijnste detailniveau
  • 5 minuten: Goede balans tussen detail en overzicht
  • 15 minuten: Minder detail, beter overzicht
  • 1 uur: Grofste aggregatie

Onderin het formulier kun je de kaartconfiguratie instellen voor het sjabloon. Deze instellingen bepalen welke informatie wordt getoond op de kaart in de Monitor view.

Selecteer welke data lagen worden getoond op de kaart in de Monitor view.

Voor meer informatie over de verschillende kaartlagen en hun functionaliteit, zie de Viewer documentatie.

Let op: Niet alle lagen zijn beschikbaar. De beschikbare lagen zijn afhankelijk van je licentie.

Bij gebruik van reistijd data kun je specifieke prefixes selecteren om alleen bepaalde segmenten te tonen. Dit is handig wanneer je alleen bepaalde routes of wegen wilt monitoren.

  • Prefixes worden automatisch geladen op basis van de beschikbare NDW data
  • Je kunt meerdere prefixes selecteren
  • Voorbeeld: Selecteer alleen prefixes die beginnen met “RWS04” om segmenten met die prefix te tonen in de monitor

Selecteer welke Waze melding types worden getoond op de kaart in de Monitor view.

Voor meer informatie over de beschikbare Waze melding groepen, zie de Viewer documentatie.

Klik op de knop “Kaart instellen” om de kaartweergave te configureren:

  1. Er opent een venster met een kaart
  2. Zoom en pan naar het gewenste gebied
  3. De kaart toont alleen de grafiekplaceholders die zijn gekoppeld aan objecten
  4. Klik op “Opslaan” om de kaartweergave op te slaan

De opgeslagen kaartweergave wordt gebruikt wanneer het sjabloon wordt geopend in de Monitor view. Dit zorgt ervoor dat gebruikers direct het juiste gebied zien zonder handmatig te hoeven zoomen.

  1. Gebruik logische grid layouts: 3x3 voor overzicht, 4x4 voor veel detail
  2. Groeperen gerelateerde locaties: Plaats gerelateerde grafieken bij elkaar door tegels te verplaatsen
  3. Gebruik consistente signaal- en streefwaarden: Gebruik dezelfde referentiewaarden voor vergelijkbare locaties
  4. Configureer kaartlagen: Selecteer alleen de lagen die relevant zijn voor het monitoren
  5. Stel de kaartweergave in: Zorg dat de kaart het juiste gebied toont voor snelle oriëntatie
  6. Test je sjabloon: Open het sjabloon om te controleren of alles correct wordt weergegeven
  7. Documenteer je sjabloon: Geef sjablonen duidelijke namen die aangeven wat ze monitoren